Logo Rijkswaterstaat - Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat Logo Rijkswaterstaat - Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat

Toekomstverhaal: Lunch in de Kerkhaven

Het geluid van de oogstrobots reikt ver over het water. Ondanks de afstand zijn ze met hun fel oranje plaatwerk goed zichtbaar op het wijde, blauwgroene oppervlak. Als een keten van mechanische zwanen grazen ze onvermoeibaar het zeewier weg. Strak aan de wind vaart het jacht van Noa en Mila door de drukke recreatiegeul, die zich een brede weg baant door de Zuidplasplantage. De Carvalho is niet de enige boot die gebruik maakt van de extra vaardiepte om de sokken erin te zetten. Geleund tegen de reling van het achterdek ziet Noa met half gesloten ogen hoe de zeewierbalen in het ruim van een gereed liggend vriesschip verdwijnen.

‘Waarom wil je per se naar de Nieuwe Kerkhaven? Zullen we niet liever gewoon naar de Nieuwe Wadden varen en bij Katwijkeroog aanmeren? Of desnoods bij Scheveningerplaat?’ De blik op Mila’s gezicht verraadt haar ongemak.

Noa draait zich om en vlijt zich met haar armen wijd tegen de reling. ‘Smeer me nog een keer in, wil je?’

‘Oehoe, Noa, contact!’

Noa draait zich terug en kijkt Mila meewarig aan. ‘Ik heb gewoon zin om naar Delft te gaan. De Nieuwe Wadden zijn suf, dat is waar pappa en mamma zouden gaan liggen. De Kerkhaven is zoveel cooler.’ Ze knijpt haar ogen dicht tegen de zon. ‘Het centrum van Delft is historisch gebied, ik weet zeker dat je het mooi vindt.’

‘Maar de Nieuwe Kerkhaven is voor tokkies! Er is daar niks. Je kan er niet eens douchen!’

Noa spreidt met gevoel voor theater haar armen. ‘Tokkies, Mila!? Je hebt nog nooit van je leven een tokkie gezien. Oké, de Nieuwe Kerkhaven is misschien een beetje verwaarloosd, maar de plek lééft, daar komen tenminste interessante mensen. Bovendien, wat weet jij nou, je bent er nog nooit geweest.’

Als de Carvalho overstag gaat, zien de zussen tussen de zandbanken door de contouren van Delft aan de horizon verschijnen.

‘Hebben ze heel het centrum laten staan?’ vraagt Mila verbaasd. ‘Het had toch ook als plantage gebruikt kunnen worden?’

‘Gaaf toch? Ze wilden de zeewierakkers hier eigenlijk ook doortrekken maar Brussel weigerde een sloopvergunning af te geven. Het is Europees erfgoed.’

Een kwartiertje later draait hun boot met beduidend minder vaart een Delftse vaarstraat in, geflankeerd door zeventiende-eeuwse panden. Vanaf de voorplecht laten de zussen de surrealistische omgeving op zich inwerken.

Noa wijst in het water. ‘Kijk dan!’ Met wijdopen ogen staart Mila in het kraakheldere water. Niet langer gehinderd door zeewier dringt het zonlicht ruimschoots door onder het wateroppervlak. In de diepte zien ze de witte raamkozijnen van de benedenverdiepingen voorbij glijden. Ze varen over halfronde bruggetjes, over bankjes, over wat ooit een smalle gracht geweest moet zijn. Noa lacht triomfantelijk.

‘Had je niet gedacht, hè, zo’n onderwatersprookjeswereld krijg je niet bij de Nieuwe Wadden.’

Ze schrikken op als uit een van de grachtenpanden een dikke man in onderbroek tegen hen begint te schreeuwen in een taal die ze niet verstaan.

Angstig kijkt Mila naar Noa. ‘Zullen we niet gewoon teruggaan?’
De man loopt al schreeuwend met hen mee op de tweede verdieping. Wel vier panden lang volgt hij de vrouwen. Vanachter ieder opengeschoven raam maakt hij een obsceen gebaar.

Noa zet haar spiegelbril terug op haar neus. ‘Gewoon negeren,’ zegt ze, terwijl ze de andere kant op kijkt.

De man kan niet verder, hij is bij zijn laatste raam gekomen. Ze horen zijn boze geschreeuw wegebben als de Carvalho verder vaart. Geluidloos draait de boot aan het eind van de gracht naar rechts. Daar, in het water tussen het Raadhuis en de Nieuwe Kerk, liggen meerdere terrassen op slordig aan elkaar geknoopte vlonders. Het is een drukte van belang. Noa en Mila voelen vreemde ogen in hun rug priemen.

In de Nieuwe Kerkhaven ligt een allegaartje aan boten. Mila herkent de shuttle naar de Utrechtse Heuvelrug. Er ligt ook een paar zonnesloepen en zelfs een enkele oude hand-bestuurde zeilboot. De Carvalho glijdt achterwaarts een nauwe box in. Nog voor de boot stilligt, springt Noa de steiger op. ‘Kom dan, ik heb dorst!’

Ze vinden een plek aan het laatste vrije tafeltje. Mila bladert de menukaart door.

‘Zilte aardappelpannenkoek, zeewierburgers, stamppot met zeekraal… Helemaal niets met vlees?’

‘Nee, niks met vlees.’ Noa fluistert: ‘Dat kan geen hond hier betalen, joh. Nou ja, lekker goedkoop toch? Oh wacht, hier staat wel een kip-tofuburger.’

‘Noa?’

Bij het horen van haar naam kijkt Noa op van de menukaart en staart in het gezicht van een vrouw van in de dertig. De vrouw heeft een stoer uiterlijk en een donker gebronsde huid.

‘We hebben samen op het Herman Jordan Lyceum in Zeist gezeten. Ik herkende je onmiddellijk, je bent echt niets veranderd. Is dit je zusje?’

Noa probeert zich te herinneren wie de vrouw is, maar de stoere eigenares van het Kerkhaventerras praat alweer verder.

‘Gek dit, hè?’ zegt ze, terwijl ze met haar schoen op de steiger tikt. ‘Mijn opa en oma zijn hieronder nog getrouwd. Nou ja, de hoge heren in Apeldoorn zullen wel weten wat ze doen.’